Was men voor de verdediging
van Nederland door
de bouw van monitors, kanonneerboten, torpedoboten en riviervaartuigen op
stoomschepen overgegaan, voor schepen voor buitenlandse dienst wilde men
vasthouden aan zeilschepen met stoomvermogen.
Toen dan ook de mening veld
begon te winnen, dat het kanon het altijd van het pantser zou winnen, ging men
de bescherming zoeken in grotere snelheid.
Ook de snelheid van zeilschepen was
door de bouw van de clipper-schepen belangrijk opgevoerd en de Nederlandse
marine ging over tot het bouwen van fregatten met stoomvermogen, die ook
kruisers werden genoemd.
Dit werden de kruisers type ATJEH, waarvan er 8 op
stapel werden gezet.
De eerste drie waren de Atjeh (in 1876 te water gelaten), de Koningin Emma en de Tromp:
de volgende drie waren
de Van Speyk, De Ruyter en de Johan Willem Friso.
De andere twee
waren door een brand op de marinewerf te Amsterdam verwoest. Deze brand was
ook de oorzaak dat de Friso pas in 1886 te water werd gelaten. Deze kruisers
waren zeer goede zee-, zeil- en stoomschepen maar waren, omdat hun huid van
"met
ijzer bekleed hout" was, geen geschikte oorlogsschepen.
Een ander nadeel was dat de
oefeningen bij de Marine waren gebaseerd op zeilen en op behandeling van het zeiltuig,
terwijl het machinekamerpersoneel werd geoefend bij een ouderwetse machine.
Bij een in mei 1888 (het
1ste marinejaar van Johannes) gehouden vlootschouw te Barcelona
bleek dan ook dat deze schepen, waarop wij zo trots waren, met hun
onbeschermde romp en zeiltuig door de andere naties naar de
'oude' geschiedenis
werden verwezen en meewarig werden bekeken.
De Friso werd daar zelfs "Le
navire très curieux" genoemd!
De beslissing om deze schepen
alsnog te bouwen moet wel sterk beïnvloed zijn geweest door het verlangen om het zeiltuig
op de schepen voor de buitenlandse dienst te behouden.
In 1882 verklaarde de
minister van Marine: ' Het is evenwel de overtuiging dat het beste
oorlogsschip dat zal zijn, hetwelk het beste compromis daarstelt tusschen
stoom- en zeilvermogen met behoud van veiligheid en zeewaardigheid.'
Allerlei
motieven werden aangehaald om het zeiltuig te behouden zoals welbegrepen
spaarzaamheid, de eis dat de schepen de reis om de Kaap zonder kolenladen
moeten kunnen volbrengen, de verhoogde indruk die zulke schepen op de Inlandse
vorsten maken en de noodzakelijkheid van het zeiltuig om een goed
oorlogsmatroos te kunnen vormen.
In 1892 schrijft Visser in Onze Zeemacht (
Johannes
zit dan zijn 5de jaar bij de marine) :'
Het tuig is het enige middel om de zeemacht bemand te krijgen met flinke
bekwame kerels en niet met kinderen en oude wijven.'
In 1886 (Johannes
is 16 jaar en nog thuis) lezen we
in het voorlopig verslag over de marinebegroting voor het jaar 1887:
'Naar
aanleiding van verschillende ongevallen met schepen bij de marine vroegen
enkele leden of in de tegenwoordige tijd bij het gedurig toenemen van stoom
nog genoeg gewicht werd gehecht aan de bedrevenheid in het zeilen, de grond
van alle zeemanschap.
Na 1888 krijgen we in de marine, welke de tien
jaar daarvoor in verval was geraakt, een sterke opleving van de aanbouw.
Nu
wordt overgegaan op moderne stoomschepen.
Wel kregen deze schepen eerst nog
zeilen maar die betekenden niet veel.
Als eerste schip wordt de Sumatra voor
de Indische Marine
op stapel gezet.
Bij de volle krachtsproef welke in maart 1891 werd gehouden
behaalde dit schip, dat 1700 ton groot was, een vaart van 15½ mijl waarbij
2400 I.P.K. werd ontwikkeld.
Bij een proeftocht in de Noordzee werden de
zeilen beproefd.
Hierover lezen we in het verslag:
'Op 'de platvoet' werd bij
bramzeilkoelte ook nog beproefd of het schip met de langsscheepsche zeilen
eenigszins te sturen zoude zijn, doch deze proef mislukte.'
Het schip liep
nauwelijks één mijl, maakte 5 streken en was niet te sturen.'
Als volgend
schip werd de
Prinses (later
Koningin) Wilhelmina
der Nederlanden op stapel gezet.
Dit was een pantserdektorenschip van 4600 ton,
lengte 100 meter, ramsteven, 1 kanon van 28 cm vooruit, 1 kanon van 21 cm
achteruit, 5900 I.P.K., vaart 16½ mijl en 325 man bemanning.
Ook dit schip
had nog zeilen.
Bij de bespreking van het ontwerp zegt de minister:
' Het tuig
kan worden beperkt tot een paar masten met langsscheepsche zeilen, terwijl in Indië
in vredestijd, tot oefening van de bemanning, aan de voorste mast een
exercitietuig kan worden aangebracht.'
Dit tuig schijnt van geen nut geweest
te zijn; we lezen niet dat het werd gebruikt en het is later dan ook
afgetuigd.
Het volgende schip dat werd gebouwd was het ramschip Reinier
Claessen, dat voor de verdediging van de riviergaten was bestemd.
Dit
schip kreeg dan ook geen zeiltuig.
In de marinebegroting voor het jaar 1891 (
Johannes
4e jaar) vraagt de minister Jansen
gelden aan voor het bouwen van 3 pantserschepen type A.
Op de vraag of
het de bedoeling is de schepen type A van zeilvermogen te voorzien, antwoordt
de minister ontkennend.
De minister is van gevoel, dat op deze schepen een
zeiltuig in tijd van vrede van weinig nut is, terwijl het in oorlogstijd geen
voordelen maar wel nadelen medebrengt, die het wenselijk zouden maken, dat
tuig zo spoedig mogelijk te verwijderen.
Tegen het bouwen van deze schepen
heeft men in de officierskringen grote bezwaren.
De gepensioneerde vice-admiraal van Alphen spreekt bij de behandeling van de begroting in de
eerste kamer de wens uit, dat in plaats van deze schepen kruisers zouden
worden gebouwd, kruisers volkomen zeewaardig, met vol tuig, maar geschikt tot
gemakkelijk strijken.
De minister antwoordt hierop; 'De heer van Alphen opent
een aanlokkelijk uitzicht op kruisers met licht sierlijk tuig, geschikt voor
oefening wat zeker mooi en aangenaam zou zijn'.
De schepen type A worden
gebouwd zonder zeil!
Ze kregen de namen Kortenaer, Piet hein en Evertsen.
In die tijd wist geen enkele marine wat voor schepen moesten worden
gebouwd.
De Fransen spraken van 'Babel Navale'.
Als in 1895 de minister van Marine, Jhr. H. M. van der Wijck, gelden aanvraagt voor de bouw van de
pantserdekschepen,
type Zeeland, die ook als kruisers werden beschouwd, komt het zeiltuig
wéér ter sprake.
Sommige leden hadden gewenst, dat de voorgestelde
kruisers waren voorzien van krachtig zeilvermogen en in verband daarmede met
een enkele schroef. De minister anwoorde hierop:
'Ware het mogelijk geweest om, zonder aan de andere eischen te kort te
doen, zeiltuig aan het schip te geven, het zou niet zijn
nagelaten.
Het feit echter dat men in het buitenland
geheel met het zeiltuig van nieuwe schepen heeft gebroken, toont wel voldoende
dat het niet mogelijk is.'
Van Alphen geeft het in de eerste kamer nog niet
op.
Hij zegt: 'De nieuw voorgestelde schepen missen het tuig waardoor
ze veel minder geëigend zijn tot oefenen van personeel en om er den waren
zeemansgeest, vlugheid en handigheid in te houden.
' Uit het antwoord dat de
minister geeft blijkt, dat het ook voor hem zeer zwaar is gevallen om het
zeiltuig op te geven.
'Ik zie tot mijn leedwezen de tijd naderen - wellicht is
hij zelfs niet ver meer verwijderd - dat alle zeiltuig van onze marineschepen
zal moeten worden geweerd, omdat men geen manschappen en officieren meer zal
hebben, die met zeilschepen kunnen omgaan.
De geachte spreker heeft er reeds
terecht aan herinnerd dat onze vloot in Indië al geen zeiltuig meer
heeft; in hetzelfde geval verkeert onze binnenlandse vloot; alleen nog enkele
schepen, die over de Oceaan moeten, bezitten nog zeilen.'
In 1899 (één
jaar nadat Johannes de marine verliet)
zegt één der leden van de kamer bij de behandeling van de begroting voor
1900:
''Wanneer de schepen onzer tegenwoordige oorlogsvloot vergeleken
worden met die van een twaalftal jaren geleden, dan moet, zeker ten spijt van
velen onzer, de volkomen overwinning van de stoom over het zeiltuig
worden erkend."
(
Deze periode omvat precies de
tijd waarin
Johannes zijn steentje aan 's lands verdediging heeft bijgedragen.)
Uit het gedenkboek "150 jaar stoom bij de
Koninklijke Marine"
Een volgende bijdrage? zal gaan over het
Machinistenkorps in dezelfde periode.