Blad II:
Het was eens hier, bij een storm, in het gezicht van de
haven gekraakt en men had het, na onttakeling, verder aan zijn lot
overgelaten.
Maar het havenhoofd, met zijn bestrate vierkante kade van
klinkertjes, en zijn douanekantoortje met groengeverfde luikjes, was volkomen
Hollands.
En als je de rivier volgde, terug naar de stad, kwam je voorbij een
brug aan een verbreding, waar de oevers beschoeid waren ter voorkoming van
afkalving. De kromming van de oever aan de rechterzijde verraadde dadelijk een
Hollandse aanleg.
De kaai, die eveneens beklinkerd was, was aangelegd voor het
lossen en laden in de schaduw der bomen, en zij kon in een Zeeuws havendorp
liggen.
De lage huisjes, die met hun ramen uitzicht hadden op het haventje,
waren gebouwd in precies dezelfde bocht als de kaai.
Kleine meerpalen staken
hun koppen nog op uit de bestrating.
De huisjes hadden boven- en onderdeuren,
en soms een stoepbank naast de deur, maar altijd één flink groot raam, dat
de kamer daarbinnen verlichtte. Niets ontbrak aan het beeld dan heldere
gordijnen, wat rode geraniums en fuchsia's in de vensterbanken, wat tjalken en
boeiers voor de wal, met roefjes en loopplanken en een keffende keeshond in
het gangboord.
Maar het vroegere schippersleven, dat hier eens in zuiver
Hollandse trant moest hebben getierd, met inbegrip van de reuk van touwwerk en
teer en tabak, was verdwenen sedert de aanleg van spoor- en tramlijn, en
alleen het oude decor was bijna onaangetast behouden.
In de late namiddag, als
het havenbuurtje verlicht werd door de wat zwakker geworden schuine stralen
der dalende zon, besloop je de weemoed als je ernaar keek.
Dan leek het op een
zomermiddag, lang geleden, ergens in Brouwershaven of Stavenisse.
Maar aan de andere kant van het oude haventje waren nu schuttingen, of
verbrokkelde zwart uitgeslagen muren van de achtererven der grote huizen, die
aan de straat lagen, welke natuurlijk de Heerenstraat heette.
Want vroeger
woonden daar 'de Heeren' van het stadje, en zij waren ook inderdaad de echte
Heren geweest.
Nu woonden er niet zulke Heren meer, ook al bleef de naam
'Heer' angstvallig in ere.
Zelfs aan het haventje, in de huisjes met de onder-
en bovendeuren, woonden nu heren.
Welzeker. De Heerenstraat was beplant met
knoestige kenarie- en asembomen, oude exemplaren, die hun wortels uitstrekten
tot onder de stenen tuinmuurtjes der huizen en ze hier en daar zelfs opgelicht
hadden, zodat de pilaartjes scheef stonden en het ijzerwerk verbogen was
Ommuringen waren er genoeg in het stadje.
Geen baksteen, geen kalk en zand
waren gespaard door de langgestorven geslachten, die deze huizen hadden
gebouwd.

|